- Hij bleef na het overl. van zijn vader in 1308 als bastaard zonder erfenis berooid achter; zijn bastaardafkomst werd, na uitzonderlijke legitimatie door de keizer van het heilige Rooms-Duitse rijk, Lodewijk IV, te niet gedaan (waarsch. door hem afgekocht in 1329) waarna men hem niet langer durfde aan te spreken met zijn bijnaam; Willem van Duvenvoorde kon als (achteraf) wettig geborene zijn goederen doen vererven, maar zijn huwelijk met Heylwich van Vianen hadden hem geen kinderen geschonken; zijn bastaarden, minstens twaalf, kon hij alleen via omwegen bevoorrechten; het grootste deel van zijn vermogen ging dan ook naar zijn neef, de zoon van zijn halfbroer, Jan II van Polanen, diens zoon Jan III van Polanen huwelijkte zijn 12-jarige dochter Johanna of Jenne van Polanen uit aan graaf Engelbrecht van Nassau; zo kwam Willems onmetelijke vermogen uiteindelijk terecht in het geslacht van Nassau, onze huidige koninklijke familie.
- De graaf beloonde Willem met goederen en geld; de meeste leenmannen leden verlies op hun goederen en moesten tijdens krijgstochten de tekorten aanvullen; Willem daarentegen beheerde zijn goederen zo bekwaam dat hij er winst uit behaalde en met die winst nieuwe goederen kon kopen; hij liet zijn goederen centraal beheren vanuit Huize Ten Strijen in Oosterhout, in 1324 gekocht van Beatrix van Putten en Strijen, enkele jaren later opgeknapt met o.a. een voorhof en een diergaarde en door hem en zijn vrouw bewoond (Huize Ten Strijen was het grootste kasteel dat in de veertiende eeuw in het graafschap werd gebouwd); het lag strategisch in de schimmige grensstreek tussen het graafschap Holland en het hertogdom Brabant ; tientallen klerken waren in dit kasteel van Willem aan het werk; wie zich niet aan zijn (strenge) regels hield, kon uit het zich steeds uitbreidende gebied vertrekken.
Willem verkreeg niet alleen rechtmatig goederen, hij nam ze ook brutaalweg door zonder toestemming grond van de hertog in de grensstreek te ontginnen; na het afgraven van het veen werd het stuk grond bedijkt, op het drooggevallen land graasde vee, nog later kwam er akkerbouw en ontstonden er nederzettingen; de oorspronkelijk woeste gronden leverden hem in enkele jaren veel geld op; hij misleidde de hertog bijvoorbeeld door een dorp ’s-Gravenmoer te noemen, de hertog ging er dan ten onrechte van uit dat Willem van Duvenvoorde de grond van de graaf in leen had; de graaf, die op gespannen voet met de hertog leefde, ondersteunde de handelswijze van zijn leenman.
Aan het eind van zijn leven had hij vrijwel de gehele landstreek tussen Moerdijk en de huidige Belgische grens in zijn bezit, in het westen begrensd door het Markiezaat van Bergen op Zoom en in het oosten door de Meierij van Den Bosch.
Willem van Duvenvoorde was niet alleen raadsman van de graaf maar ook diplomaat: de graaf stuurde hem op diplomatieke missies naar de hertog; Willem slechtte geschillen en voorkwam oorlogen; al snel onderkende de hertog Willems kwaliteiten; de hertogelijke financiën waren een chaos, Willem bracht ze op orde en naast de beloning in de vorm van goederen benoemde ook de hertog hem tot zijn eerste raadsman; de Duitse keizer riep zijn hulp in, de paus, de Engelse koning; tevens leende hij geld aan hen, zoals hij ook aan de Luikse bisschop en de Keulse aartsbisschop geld leende; de winsten gebruikte hij voor een deel voor het stichten van kerken, kapellen en kloosters.
De graaf en zijn opvolgers voerden een sobere herberg; de contacten met de opvolgers van graaf Willem III werden minder hartelijk (mogelijk ook veroorzaakt door het sneuvelen van zijn oudste bastaardzoon in de slag bij Staveren in 1345); Willem pronkte graag met zijn rijkdom en voelde zich meer thuis in de veel gastvrijere hofhouding van de hertog, die vele gasten uitnodigde aan een rijk gevulde dis, opgeluisterd door zijn eigen toneelgezelschap, waardoor hij steeds vaker verbleef in het hertogdom.
Huize Ten Strijen was niet zijn enige onderkomen: naast huizen en burchten in het graafschap, bouwde Willem kastelen in het hertogdom; hij liet o.a. huizen in de wijken Koudenberg en Jodenpoel in Brussel afbreken om er zijn huis "Koudenberg" nabij het hertogelijke paleis te laten optrekken.
Pogingen om te bemidelen in de Hoekse en Kabeljauwse twisten mislukten en hij trok zich als "Hoekse edelman" gedesillusioneerd terug in het hertogdom nadat zijn huis in Den Haag door de "Kabeljauwen" was vernietigd om nooit meer in het graafschap terug te keren; uiteindelijk is hij, als rijkste man van zijn tijd, op 12 augustus 1353 in zijn kasteel Boutershem nabij Mechelen overleden, begr. Brussel in de door hem gestichte kapel der Rijke Clarissen.
- Bron: Eva Bentis "Schaduw van de avond", uitg. Contact, Amsterdam (2000).
|